hfdst. 3: Gemeentestichting in en vanuit Noorwest-Europa: vanouds aandachtsveld
Het is niet mogelijk om ‘zuivere kerken’ te vormen. De context komt altijd mee. Het gaat erom hoe gemeentestichters de context laten meewegen in de vormgeving van het missionaire werk en de opbouw van een nieuwe christelijke gemeenschap.Vaak gingen de bouw van een klooster en de daarbij aanwezige christelijke gemeenschap vooraf aan missionaire gemeentestichting! Met het breken van de kloostertraditie hebben de reformatorische kerken een belangrijk missionair instrument uit handen gegeven.Columbanus, de eerste Keltische missionaris, verrichte, volgens de overlevering, veel wonderen bij zijn missionaire werk.De kloosters die door hem gesticht werden hadden aantrekkingskracht op de adel door de bestudering van de klassieke beschaving en er werd met discipline en kennis van zaken het land bewerkt. Verder was er zielzorg, met een nadruk op een ascetische levensstijl en persoonlijke vroomheid. Christen worden had in die tijd ook te maken met het aanvaarden van een samenhangend en gecontroleerd cultureel en sociaal systeem. In die tijd was de overgang tot een andere wereldbeschouwing bij de Germanen ook geen individueel, maar een collectief besluit. Hier gingen doop, gemeentevorming en kerkbouw, vooraf aan bekering.Bij dit alles werd ook gebruik gemaakt van relikwieën en wonderverhalen.Er was dus veel aandacht voor de zichtbaarheid van het christelijk geloof.Willibrord richtte in Utrecht een kloosterschool op waar pioniers uit diverse delen van Europa een theologisch opleiding kregen. Liudger, de eerste inheemse Friese missionaris, werd hier opgeleid. Toen hij in Dokkum werkte, keerde hij ieder drie maanden terug naaar Utrecht om daar les te geven.Het geloofsonderricht bestond uit een eenvoudige uitleg van het christelijk geloof, de zes werken van barmhartigheid en de zeven hoofdzonden. In de gekerstende gebieden werd de kerkgang op zondag verplicht gesteld. Ze mochten niets ‘heidens’ meer doen. Hier ging ‘behaving’ voor ‘believing’. Oude tempels werden niet verwoest, maar werden geheiligd door besprenkeling en de godenbeelden werden verwijderd (In kerken Noorwegen zijn nog wel afbeeldingen van heidense goden opgenomen!). De offercultus werd vervangen door festivals voor heilige martelaren.Missionair werk vraagt ruimte voor vrij ondernemerschap, maar de aanpassing aan de context kan te groot zijn, daarom moet het ingebed zijn in de bredere context van de kerk. Dit geeft ook een grotere kans op continuïteit.Wel is het zo dat tegenwoordig toetreders het belangrijker vinden om deel te zijn van een beweging, dan lid van een instituut.Bij Voetius gaat believing vooraf aan belonging en behaving. Gelovigen vormen de kerk, al voordat de kerk geinstitutioneerd is.Bij de NZG is er een verschuiving zichtbaar van instituut naar levend organisme. Het accent komt te liggen op het bekeerde individu en het bijeenbrengen van individuele gelovigen in de gemeente. De gemeente was belangrijk voor persoonlijk en gemeenschappelijke geloofsontwikkeling. Bij zending gaat het niet om de verkondiging van een godsdienst, de verkondiging van een leer of het overplanten van een kerk. Het christelijk geloof was vooral geestelijk leven.Daarnaast hadden meer gereformeerde zendingsgenootschappen aandacht voor het zoeken van ambtsdragers, het opleiden van predikanten, de vorming van een kerkverband en het kerkordelijk regelen van het kerkelijk leven.Een vloeibare kerk is belangrijk voor contextuele missionaire gemeenschapsvorming, maar kan omwille van de continuïteit niet zonder solide structuren.(Bij de mixed-economy gaat het daarom om de koppeling tussen flexibliteit en ambtelijke structuur.)Tot het eind van de 19e eeuw richten zendelingen zich sterk op individuele bekering. Er moesten aan allerlei eisen voldaan worden, wilde men gedoopt worden. De gemeente moest zo zuiver mogelijk zijn. Believing en behaving gingen in deze gemeenten vooraf aan belonging. De weg naar belonging was soms te lang en daarom werd er als tussenstap een doopverklaring afgegeven. Je hoorde er al wel bij, ook al was je nog niet gedoopt. Ook was er een sacraments-scheiding, als je gedoopt was en als je je dan ook nog goed gedroeg, dan werd je toegelaten tot het avondmaal en hoorde je er echt helemaal bij.Het ‘Gij geheel anders’ sloeg soms ook op de kledingdracht en het ontvangen van nieuwe namen. Dit veroorzaakte een grote scheiding met de lokale bevolking.Later werd de keus gemaakt om te beginnen met laagdrempelige gemeentestichting en niet met bekering. Zo werd de roomse zendingsmethodiek geherwaardeerd, die lange tijd vanuit piëtistische overwegingen afgewezen was. In Midden-Celebes werden 17 jaar nadat er eerste bezoekers waren voor het eerst belangstellenden gedoopt.Na WOII verschoof het accent van de zendende kerken in Nederland van bekeringstheologie naar Koninkrijkstheologie. In 1983 heeft de Wereldraad van Kerken in een verklaring erkent dat naast Koninkrijkstheologie ook gemeentestichting een missionaire kerntaak blijft.
woensdag 6 mei 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten