hfdst. 6-16 lessen uit de praktijk
hfdst 7 In de Praktijk
1. blijven investeren in langdurige relaties
In een achterstandswijk gaat het niet om professionele activiteiten, maar om relaties. Mensen komen naar activiteiten vanuit relaties. Het tot geloof komen van iemand duurt 2-5 jaar. Het duurt zo’n 10-20 jr om een gemeenschap tot zelfstandigheid te brengen.
2. opleiding van werkers
Via stagiaires kwamen er nieuwe werkers binnen, maar doel blijft om Spoorwijkers erbij te betrekken. Vraagt om activiteiten die eenvoudig te vermenigvuldigen zijn.
3. missionair betrokken blijven
Wanneer er een kleine geloofsgemeenschap ontstaat, is het heel makkelijk om daar alle tijd in te gaan steken (pastoraat, organisatie, administratie). Er moet bewust gekozen worden om missionair betrokken te blijven in de wijk.
hfdst. 8 Via Nova
1. wees geen concurenten van andere kerken. Probeer zo veel mogelijk samen te werken in het stichtien van nieuwe gemeenten of missionaire projecten.
2. beginnen met netwerken kan beter zijn dan beginnen met samenkomsten. Denk ook aan andere startmogelijkheden, zoals debat-avonden.
3. Weet op welke doelgroep je je richt, maak er een profiel van en probeer inhoudelijk en qua vormgeving zo dicht mogelijk bij deze groep aan te sluiten.
hfst. 9 Int. Chr. Fellowship in Rotterdam
Sturctuur: op microniveau: de huiskring; op mesoniveau: de ethnissche groep, oop seminars voor discipelschap, praiseavonden en recreatieactiviteiten; op macroniveau: zondagse samenkomsten.
Verder zijn er vijf taakvelden en ieder taakveld wordt geleid door een kerkenraadslid. De taakvelden zijn gekoppeld aan de vijf doelen van de gemeente:
worship/groei in passie voor God-> erediensten;
fellowship/groei in onderlinge liefde -> huiskringen en etnische groepen (pastoraat);
evangelism/groei in aantrekkingskracht
discipleship/groei in geloof en toewijding
caring/groei in dienstbaarheid
Belangrijke lessen:
1. warmte, door gastvrije ontvangst, gezellige sfeer en het niet-formele karakter van de dienst (met dank aan de Multi-culturele inbreng)
2. discipelschap, naast evangelisatie is goed onderwijs aan jonge gelovigen essentieel, het gaat om radicale toewijding aan Christus
3. nederigheid, ondanks alle goede intenties maak je fouten en ontstaan er kleerscheuren. Je ontdekt je eigen superioriteitsgevoel als westerling
hfdst. 10 De Tronk
Geen heldere identiteit, geen duidelijkheid over wie inhoudelijk verantwoordelijk was, gebrek aan continuïteit bij de medewerkers. Openheid en ruimte zijn als sleutelwoorden dus niet voldoende om iets van de grond te krijgen.
hdfst. 11 Rijnwaarde
Start met koffieochtend voor leden en Bijbelclubs voor kinderen. Daarna een Appha-cursus.
Lessen:
Het gaat om relaties. Niet alleen maar statistieken en andere demografische gegevens, maar juist netwerken, mensen ontmoeten. Verder worden mensen opgezocht waar ze leven en werken.
hfdst. 12 Thugz Church
De visie van het team is om te investeren in kwaliteit van de groep, boven getalsmatige groei.
De visie is outside-in, van buiten naar binnen denken (Pete Ward, Vloeibare kerk). Outside-in betekent dat iemand helemaal integreert in een bepaalde buurt, cultuur of scene, daar jarenlang mee optrekt, vertrouwen wint, zijn liefde voor Christus meedeelt, met als uiteindelijke doel: zijn nieuwe vrienden meenemen naar een kerk of een kerk stichten.
hfdst.14 Kerk van de Nazarener in Breda
Lessen:
zorg voor een stevige startgroep, zowel in omvang (min. 8), als in ervaring en geestelijke volwassenheid.
zorg voor een goede verbondenheid met de moedergemeente;
werk vanaf het begin met een goede contextualisatie, de cultuur van de omgeving.
hfdst. 16 Oase in Soest
Vanuit het attractiemodel naar het incarnatiemodel. Een theologische verdieping vervreemd hen van de evangelicale en gereformeerde wereld.
Dogma’s werken niet, het gaat erom dat mensen Jezus ontdekken in levensstijl, vriendschap, relaties en in Bijbelverhalen. Toegespitst op hun eigen leven. Ieder is medereiziger, nooit object.
Robert Bell is een van hun inspiratiebronnen. Mensen worden volgens hem niet zozeer overtuigd door redeneringen, maar door ervaringen. Christenen moeten iets van de hemel op aarde laten zien.
Rondom de boodschap van het nieuwe en radicale van Jezus verzameld zich een nieuwe gemeenschap. De onderlinge verscheidenheid binnen de gemeenschap is een voorwaarde voor haar vitaliteit.
Men staat open voor een nieuwe vorm van monastiek, waarvan ‘gastvrijheid, delen, saamhorigheid en contemplatief leven’ de kenmerken zijn.
Oase vormt ‘licht gemeenschappen’, d.w.z. verbanden die voor een bepaalde tijd voorzien in vragen van mensen en inspiratie biedt.
Lessen:
Mijn indruk is dat de lat erg hoog gelegd wordt voor deelnemers, waardoor participatie moeilijk wordt. Behaving lijkt hier vooraf te gaan aan belonging. Waar believing geplaats moet worden weet ik niet.
Christelijke gemeeschapsvorming door evangeliecommunicatie, blijkt samen te hangen met een onderscheidende levensstijl, met zorg voor het milieu, maar ook voor de buurt, de eigen woon- en leefomgeving.
maandag 11 mei 2009
hfdst.4 vasthouden en loslaten
Als een kerk opnieuw begint,
hfdst. 4 e.v.: Vasthouden en loslaten
Nieuwe kerken moeten hun eigen weg kunnen gaan. Een oud adagium daarin is:
self-supporting, self-governing en self-extending (komt bij Henri Venn vandaan en wordt ondersteund in het nieuwe rapport van de Church of England ‘Mission shaped church’).
Maar Kraemer ‘The Christian message in a non-christian world’ had daar zijn vragen bij.
In het NT zien we vaak dat gaven gedeeld worden. Zelfstandigheid wordt dan niet afgemeten aan financiële onafhankelijkheid, maar aan het vermogen om de ontvangen gaven vruchtbaar te maken in de sociale en oecumenische context.
Het gaat ook om geestelijke zelfstandigheid als kenmerk van een gezonde kerk. Als een kerkplanting direct al financieel zelfstandig moet zijn, dan kan de nadruk daar te zeer op komen te liggen. Het is goed om te zoeken naar ‘moneyless techniques’, bijv. de inzet van onbezoldigde krachten.
Het doel is nooit het stichten van een nieuwe kerk. Het gaat om Gods bevrijdende werk in de wereld in het licht van het komende Rijk. In die beweging van God naar de wereld ontstaan christelijke gemeenschappen die leven en bewegen om het perspectief van het komende Rijk. Kerkplanting heeft niet als einddoel een gevestigde kerk, maar het gaat om een wordende kerk, om emerging church, die haar vervulling vindt in het Koninkrijk.
hfdst. 4 e.v.: Vasthouden en loslaten
Nieuwe kerken moeten hun eigen weg kunnen gaan. Een oud adagium daarin is:
self-supporting, self-governing en self-extending (komt bij Henri Venn vandaan en wordt ondersteund in het nieuwe rapport van de Church of England ‘Mission shaped church’).
Maar Kraemer ‘The Christian message in a non-christian world’ had daar zijn vragen bij.
In het NT zien we vaak dat gaven gedeeld worden. Zelfstandigheid wordt dan niet afgemeten aan financiële onafhankelijkheid, maar aan het vermogen om de ontvangen gaven vruchtbaar te maken in de sociale en oecumenische context.
Het gaat ook om geestelijke zelfstandigheid als kenmerk van een gezonde kerk. Als een kerkplanting direct al financieel zelfstandig moet zijn, dan kan de nadruk daar te zeer op komen te liggen. Het is goed om te zoeken naar ‘moneyless techniques’, bijv. de inzet van onbezoldigde krachten.
Het doel is nooit het stichten van een nieuwe kerk. Het gaat om Gods bevrijdende werk in de wereld in het licht van het komende Rijk. In die beweging van God naar de wereld ontstaan christelijke gemeenschappen die leven en bewegen om het perspectief van het komende Rijk. Kerkplanting heeft niet als einddoel een gevestigde kerk, maar het gaat om een wordende kerk, om emerging church, die haar vervulling vindt in het Koninkrijk.
vrijdag 8 mei 2009
hfdt. 20 leiderschap bij kerkplanting
Als een kerk opnieuw begint
Hfdst. 20 leiderschap bij een kerkplanting met in gedachten Voorschoten
Leiderschap heeft te maken met de invloed die we uit kunnen oefenen op de processen om richting en samenhang te geven aan het ontstaan en/of verder ontwikkelen van een missionaire gemeenschap in Voorschoten. Factoren die hierbij een rol spelen zijn de tradities waardoor gemeenteleden gevormd zijn, verwachtingen die leven bij gemeenteleden, de culturele context waarin het plaats moet vinden. Het is duidelijk dat in een bestaande gemeente zeer verschillende groepen zijn, die we niet allemaal op één lijn moeten proberen te krijgen. Dat hoort bij het mooie van de pluriformiteit van de gemeente (samen met alle heilige de omvattendheid van de liefde van Christus ontdekken), maar voor de missionaire daadkracht kan het verlammend werken wanneer daarin uniformiteit wordt verwacht. Die missionaire daadkracht mag en moet zelfs ook pluriform zijn (mixed economy).
In de huidige ingewikkelde context van het post?-moderne westen met zijn grote diversiteit en de vele nieuwe vragen waarmee we als gemeente geconfronteerd worden, werkt het klassieke leiderschapsparadigma van een hiërarchische uitoefening van macht niet meer.
De grote veranderingen waar we als westerse cultuur de laatste decennia doorheen zijn gegaan vraagt meer dan inspraak en overleg. Er moet een paradigmawisseling komen bij een nieuwe missionaire aanpak. Een visionair leider zou hierin de weg kunnen wijzen. Een gevaar hierbij is dat de visie uniform wordt waardoor veel gemeenteleden buiten de boot zouden vallen, terwijl het juist in onze context belangrijk is dat een onderdeel van de visie pluriformiteit is. Juist die verscheidenheid moet men wel van elkaar erkennen, anders wordt het moeilijk om van zo’n gemeenschap deel uit te maken. Binnen die verscheidenheid kunnen op deelgebieden dan ook weer visionaire leiders ontstaan. Deze visionaire leiders vormen samen het organisch verband van de gemeente en delen samen een aantal kernwaarden rond belijdenis, sacramenten, ambtsopvatting en pluriformiteit. Zo kan er binnen de deelgebieden rust zijn, maar aan de randen gist en bruist het en kunnen er tal van nieuwe mogelijkheden ontstaan.
In Voorschoten zullen we niet zo snel uitgaan van een nieuwe kerkplanting, maar van een mixed-economy, waarbij de eigen viering/bijeenkomst een eigen expressie van gemeente-zijn is. Een aantal kenmerken die gelden voor een kerkplanting, gelden ook voor zo’n nieuwe eigen expressie van kerk-zijn. In het begin zullen er veel veranderingen zijn en ligt alles nog niet zo vast. Het zullen relatief homogene groepen zijn. Qua structuur zijn het eenvoudige kleine organisaties met een actieve participatie van de deelnemers. Ze zijn zich sterk bewust van hun doelstelling en proberen daar mensen bij te betrekken of er voor hun doelgroep te zijn. Hun theologische identiteit kan ook een eigenheid hebben die afwijkt van de grootste gemene deler binnen de PGV. Belangrijk daarbij is dat men zich niet afzet tegen de ander, maar zich verbonden weet met de overigen, zonder dat men de eigen inbreng hoeft te relativeren. Een visionair leider binnen zo’n nieuwe expressie is essentieel, maar dit hoeft geen predikant te zijn. Wel is het belangrijk dat het ingekaderd wordt binnen de structuur van de hele gemeente voor o.a. uitwisseling, afstemming en ondersteuning. Op die manier kan de kwetsbaarheid van zo’n beginnende organisatie beperkt worden.
Verder is het belangrijk dat er direct vanaf het prille begin rondom een visionair leider een leiderschapsteam ontwikkeld wordt. Ik denk dat dat niet alleen voor een kerkplanting geld, maar ook voor een nieuwe expressie van kerk-zijn. Want ook daar gaat het min of meer om ‘doelen stellen, een strategie ontwikkelen, visie overdragen, ‘vakkennis’ opdoen en bijhouden, kerkelijke vergaderingen bijwonen, de financiën in de gaten houden, de organisatie stroomlijnen, hoge ethische normen handhaven, mensen coachen en ondersteunen, …, waarden ontwikkelen en inbedden in de organisatie.’ En: ‘Omdat moreel onfeilbare mensen, die alles weten en geen fouten maken moeilijk te vinden zijn, is de kans groot dat we onszelf bij het zoeken naar een ideale leiden opschepen met een psychopaat of een narcistisch persoon.’ Het is belangrijk om vanaf het allereerste begin met gedeeld leiderschap te starten, omdat er anders al gevestigde belangen en posities zijn die niet makkelijk worden opgegeven. Fundamenteel voor leiderschap door een team is dat de teamleden vertrouwen in elkaar en in elkaars vaardigheden hebben. Het gaat om het besef dat je het alleen samen kunt, dat je elkaar iets gunt en dat je blij bent met ieders eigenheid. Uiteraard is het belangrijk dat er onderlinge overeenstemming is over de visie en de waarden van de organisatie. Waar ga je voor en waar sta je voor. Goede persoonlijke verhoudingen zijn essentieel en daarbij is externe begeleiding door een supervisor vaak nodig om conflicten te voorkomen.
Bij een nieuwe start van een eigen expressie van kerk-zijn is er grote behoefte aan een samenbindend en inspirerend leiderschap, dat laat zien welke kant het op moet (transformerend leiderschap). Een transformerende manier van leiding geven kenmerkt zich door: communiceren (mensen laten zien wat de eigenheid en het belang van dit project is); geloofwaardig handelen (trouw blijven aan je missie en visie); betrokken zijn op mensen (hen kennen en respecteren); creativiteit bevorderen (stimuleren om risico’s te nemen en zelfstandig verantwoordelijkheid te dragen). Bij dit alles is een overtuigende visie die verbonden is met diepgevoelde waarden, verlangens en overtuigingen van mensen in de gemeente.
De groep die met een eigen expressie van kerk-zijn start moet een gemeenschappelijke visie, waarden en overtuigingen hebben. Het is dus het beste om te starten met een aantal bijeenkomsten waarin dit met elkaar besproken wordt, zodat er een gemeenschappelijke lotsverbondenheid met het project ontstaat.
Tot slot wordt nog het ideaal van een niveau 5-leiderschap geschetst:
- ze streven naar het beste voor de organisatie, maar niet om hun eigen ego te strelen; blijven graag op de achtergrond, spelen complimenten door naar anderen en nemen zelf de verantwoordelijkheid op zich voor mislukkingen;
- het begint niet met een goede visie maar met de juiste mensen;
- is hoopvol maar zonder illusies, de waarheid mag genoemd, bij mislukkingen worden geen zondebokken gezocht;
- je blijft bij je leest en doe alleen waar je goed in bent;
- geeft grote zelfverantwoordelijkheid en creëert een cultuur van leiderschap waarbinnen mensen zich erkend en gemotiveerd weten
Hfdst. 20 leiderschap bij een kerkplanting met in gedachten Voorschoten
Leiderschap heeft te maken met de invloed die we uit kunnen oefenen op de processen om richting en samenhang te geven aan het ontstaan en/of verder ontwikkelen van een missionaire gemeenschap in Voorschoten. Factoren die hierbij een rol spelen zijn de tradities waardoor gemeenteleden gevormd zijn, verwachtingen die leven bij gemeenteleden, de culturele context waarin het plaats moet vinden. Het is duidelijk dat in een bestaande gemeente zeer verschillende groepen zijn, die we niet allemaal op één lijn moeten proberen te krijgen. Dat hoort bij het mooie van de pluriformiteit van de gemeente (samen met alle heilige de omvattendheid van de liefde van Christus ontdekken), maar voor de missionaire daadkracht kan het verlammend werken wanneer daarin uniformiteit wordt verwacht. Die missionaire daadkracht mag en moet zelfs ook pluriform zijn (mixed economy).
In de huidige ingewikkelde context van het post?-moderne westen met zijn grote diversiteit en de vele nieuwe vragen waarmee we als gemeente geconfronteerd worden, werkt het klassieke leiderschapsparadigma van een hiërarchische uitoefening van macht niet meer.
De grote veranderingen waar we als westerse cultuur de laatste decennia doorheen zijn gegaan vraagt meer dan inspraak en overleg. Er moet een paradigmawisseling komen bij een nieuwe missionaire aanpak. Een visionair leider zou hierin de weg kunnen wijzen. Een gevaar hierbij is dat de visie uniform wordt waardoor veel gemeenteleden buiten de boot zouden vallen, terwijl het juist in onze context belangrijk is dat een onderdeel van de visie pluriformiteit is. Juist die verscheidenheid moet men wel van elkaar erkennen, anders wordt het moeilijk om van zo’n gemeenschap deel uit te maken. Binnen die verscheidenheid kunnen op deelgebieden dan ook weer visionaire leiders ontstaan. Deze visionaire leiders vormen samen het organisch verband van de gemeente en delen samen een aantal kernwaarden rond belijdenis, sacramenten, ambtsopvatting en pluriformiteit. Zo kan er binnen de deelgebieden rust zijn, maar aan de randen gist en bruist het en kunnen er tal van nieuwe mogelijkheden ontstaan.
In Voorschoten zullen we niet zo snel uitgaan van een nieuwe kerkplanting, maar van een mixed-economy, waarbij de eigen viering/bijeenkomst een eigen expressie van gemeente-zijn is. Een aantal kenmerken die gelden voor een kerkplanting, gelden ook voor zo’n nieuwe eigen expressie van kerk-zijn. In het begin zullen er veel veranderingen zijn en ligt alles nog niet zo vast. Het zullen relatief homogene groepen zijn. Qua structuur zijn het eenvoudige kleine organisaties met een actieve participatie van de deelnemers. Ze zijn zich sterk bewust van hun doelstelling en proberen daar mensen bij te betrekken of er voor hun doelgroep te zijn. Hun theologische identiteit kan ook een eigenheid hebben die afwijkt van de grootste gemene deler binnen de PGV. Belangrijk daarbij is dat men zich niet afzet tegen de ander, maar zich verbonden weet met de overigen, zonder dat men de eigen inbreng hoeft te relativeren. Een visionair leider binnen zo’n nieuwe expressie is essentieel, maar dit hoeft geen predikant te zijn. Wel is het belangrijk dat het ingekaderd wordt binnen de structuur van de hele gemeente voor o.a. uitwisseling, afstemming en ondersteuning. Op die manier kan de kwetsbaarheid van zo’n beginnende organisatie beperkt worden.
Verder is het belangrijk dat er direct vanaf het prille begin rondom een visionair leider een leiderschapsteam ontwikkeld wordt. Ik denk dat dat niet alleen voor een kerkplanting geld, maar ook voor een nieuwe expressie van kerk-zijn. Want ook daar gaat het min of meer om ‘doelen stellen, een strategie ontwikkelen, visie overdragen, ‘vakkennis’ opdoen en bijhouden, kerkelijke vergaderingen bijwonen, de financiën in de gaten houden, de organisatie stroomlijnen, hoge ethische normen handhaven, mensen coachen en ondersteunen, …, waarden ontwikkelen en inbedden in de organisatie.’ En: ‘Omdat moreel onfeilbare mensen, die alles weten en geen fouten maken moeilijk te vinden zijn, is de kans groot dat we onszelf bij het zoeken naar een ideale leiden opschepen met een psychopaat of een narcistisch persoon.’ Het is belangrijk om vanaf het allereerste begin met gedeeld leiderschap te starten, omdat er anders al gevestigde belangen en posities zijn die niet makkelijk worden opgegeven. Fundamenteel voor leiderschap door een team is dat de teamleden vertrouwen in elkaar en in elkaars vaardigheden hebben. Het gaat om het besef dat je het alleen samen kunt, dat je elkaar iets gunt en dat je blij bent met ieders eigenheid. Uiteraard is het belangrijk dat er onderlinge overeenstemming is over de visie en de waarden van de organisatie. Waar ga je voor en waar sta je voor. Goede persoonlijke verhoudingen zijn essentieel en daarbij is externe begeleiding door een supervisor vaak nodig om conflicten te voorkomen.
Bij een nieuwe start van een eigen expressie van kerk-zijn is er grote behoefte aan een samenbindend en inspirerend leiderschap, dat laat zien welke kant het op moet (transformerend leiderschap). Een transformerende manier van leiding geven kenmerkt zich door: communiceren (mensen laten zien wat de eigenheid en het belang van dit project is); geloofwaardig handelen (trouw blijven aan je missie en visie); betrokken zijn op mensen (hen kennen en respecteren); creativiteit bevorderen (stimuleren om risico’s te nemen en zelfstandig verantwoordelijkheid te dragen). Bij dit alles is een overtuigende visie die verbonden is met diepgevoelde waarden, verlangens en overtuigingen van mensen in de gemeente.
De groep die met een eigen expressie van kerk-zijn start moet een gemeenschappelijke visie, waarden en overtuigingen hebben. Het is dus het beste om te starten met een aantal bijeenkomsten waarin dit met elkaar besproken wordt, zodat er een gemeenschappelijke lotsverbondenheid met het project ontstaat.
Tot slot wordt nog het ideaal van een niveau 5-leiderschap geschetst:
- ze streven naar het beste voor de organisatie, maar niet om hun eigen ego te strelen; blijven graag op de achtergrond, spelen complimenten door naar anderen en nemen zelf de verantwoordelijkheid op zich voor mislukkingen;
- het begint niet met een goede visie maar met de juiste mensen;
- is hoopvol maar zonder illusies, de waarheid mag genoemd, bij mislukkingen worden geen zondebokken gezocht;
- je blijft bij je leest en doe alleen waar je goed in bent;
- geeft grote zelfverantwoordelijkheid en creëert een cultuur van leiderschap waarbinnen mensen zich erkend en gemotiveerd weten
hfdst. 19 lessen uit gemeentestichting
hfdst. 19 lessen uit gemeentestichting
De kerk aan het begin van de 20e eeuw heeft een grondige heroriëntatie nodig, anders is het menselijkerwijs gesproken binnen enkele generaties gedaan (Heitink). Maar een nulpunt kan ook tot verootmoediging en afhankelijkheid brengen en is zo soms het begin van een nieuwe weg.
In de Church of England heeft men de centrale plaats van de territoriale kerken losgelaten en krijgen netwerk-kerken een volwaardige plaats.
Zijn zien 5 kenmerken van nieuwe manieren van kerk-zijn:
1. belang van kleine groepen voor discipelschap en missie via netwerken
2. de zondag heeft geen monopolie bij ontmoeting en viering
3. concentratie op specifiek netwerk of doelgroep
4. geen verbondenheid met 1 denominatie
5. mentale of inhoudelijke nabijheid is belangrijker dan territoriale of denominationale nabijheid.
Kirche der Freiheid zoekt naar nieuwe gemeentevormen in een steeds ingewikkelder en gevarieerder samenleving. Ook daar een streven naar meer profiel- en netwerk georiënteerde gemeenschappen. Zelfs digitale geloofsgemeenschappen.
Zou in Nederland gemeentestichting ook geen goede manier zijn om te werken aan vernieuwing van de kerk als geheel om culturele verstarring te voorkomen.
Kerkplantingen: 1. brengen nieuwe ideeën; 2. dagen uit tot zelfonderzoek; 3. nieuw leiderschap krijgt meer kans; 4. kunnen bron zijn van nieuwe christenen, die ook weer door kunnen schuiven naar oudere gemeenten.
De belangrijkste voorwaarde voor zo’n leerproces is vertrouwen in en openheid naar elkaar.
Vloeibare of nieuwe vormen van gemeenschap hoeven niet alleen een aanvulling op bestaande kerken te zijn, maar kunnen ook nieuwe gestalten van kerk zijn.
Gemeenschapsvorming is een onderdeel van het antwoord dat mensen geven op het evangelie. De invulling daarvan is afhankelijk van de cultuur van de mensen die haar vormen. Er is niet 1 model van christelijke gemeenschap. Bij gemeentestichting gaat het niet op klonen maar om bouwen. Het gaat om een zendingshouding: begrijpen van de context en kritisch zijn naar eigen achtergrond gaat voorop.
Wanneer is een groep een kerk?
- een gemeenschap waar Christus aanwezig is door zijn Geest (Mt. 18,20)
- apostolicum: eenheid, heiligheid, apostoliciteit en katholiciteit => zijn aansporing tot voortdurende vernieuwing van de kerk.
De kerk moet zichzelf steeds opnieuw ontdekken in nieuwe contexten.
Verschillende denominaties leggen zo verschillende accenten, er komt steeds meer het besef dat ze daarin elkaar aanvullen.
Er ontstaat een steeds sterker besef dat niet de kerk het subject is van zending, maar God (missio Dei). En dat de kerk zich in die zending moet laten inschakelen. De zending is daarom geen funktie van de kerk, maar de kerk is functie van de zending. Het gaat om Gods werken van bevrijding, emancipatie en gerechtigheid. Daarin meewerken is het bestaansrecht van de kerk.
Maar de les van de laatste decennia is dat dit niet kan zonder vitale christelijke gemeenschappen (Newbigin). De vorming van gelovige gemeenschappen met een radicaal evangelische levensstijl is Gods voornaamste instrument om zijn schepping te verlossen. Zending is ook een uitnodiging om deelgenoot te worden van het Koninkrijk van God in de gestalte van de kerk. De kerk heeft niet alleen de taak te wijzen op onrecht, maar ook op ongeloof.
Het gaat om een ‘missional church’, een kerk die niet aan zending doet, maar die in haar wezen en structuren bepaald is door zending in dienst van God.
Hierbij moet men er wel voor open blijven staan dat men in de wereld die men aanspreekt met God te maken heeft. De wereld staat niet los van God. Juist in de communicatie met de ‘buitenstaander’ ontdekt de kerk meer van zichzelf. Samen met ‘de ander’ ontdekt de kerk wat het evangelie is in de specifieke context waarin kerk en wereld met elkaar in interactie staan.
Zending houdt primair een uitnodiging in om het eigen levensverhaal in te lezen in het grote Verhaal van de Bijbel. Zending kan dan ook alleen gebeuren door gemeenschappen en mensen die het verhaal niet slechts vertellen, maar dit ook uitleven en voorleven. De gemeente en de Bijbel worden hier op elkaar betrokken als toneelgroep en script, waarbij interactie met de zaal nodig is voor een goede uitvoering.
Moet een gemeente zich richten op de buurt of op een doelgroep?
Er is een grote mate van mobiliteit en sociale differentiatie. Door de mobiliteit is de keuzevrijheid toegenomen. (Dit geldt ook door het individualisme, waarbij de individualiteit mede bepaald wordt door de keuze van de groep waar je bij wilt horen, trouw is hierbij meestal geen bepalende waarde meer, maar authenticiteit). Tegenwoordig geldt ook een onkritisch overgenomen geloof als onecht en onbevredigend. (Dit vraagt van gemeentes dus een aanbod van programma’s van kritische eigenmaking van geloofsinzichten en –waarden.)
Identiteit wordt niet langer lokaal gevonden, maar sociaal. (Het is dus belangrijk om er in een wijk achter te komen hoe de sociale netwerken en verbanden liggen. Welke subculturen zijn er? Waar vinden vrijetijds-activiteiten plaats, in hoeverre voelt men zich wijkbewoner, etc.)
Contextualisatie vraagt om het maken van keuzes. Bij een nieuwe uiting van kerk-zijn moet men bepalen op welke dag en tijd men samenkomt, of men liederen zingt, wat voor activiteiten plaatsvinden, waar men bij elkaar komt, etc.. Een keuze voor een doelgroep heeft dan ook niet het doel om exclusief te zijn, maar het is een vorm van contextualisatie.
Vanwege de vrije keuze zullen plaatselijke gemeenten steeds meer een congregationalistisch stempel krijgen.
Daarmee hangt samen dat kerken steeds meer vanuit de marge zullen functioneren. En vanuit die positie dan invloed uitoefen op de samenleving. In onze tijd heeft een getuigende invloed vanuit de marge en vanuit een duidelijke identiteit meer kans van slagen dan een sterke speler te willen worden in de maatschappelijke markt door daar een beschavende invloed te willen uitoefenen.
Leiderschap
Kerkplantingen laten een verschuiving zien van pastoraal leiderschap naar missionair leiderschap gericht op de dienst aan het Koninkrijk van god in een postchristelijke cultuur. De taak van een missionair voorganger is leidinggeven aan de hele gemeente in haar roeping deel te nemen aan Gods zending.
Oecumene bij kerkplanting???
Het leidt vaak tot topzware overlegorganen en kleurloze compromissen. Er is ook geen gedeeld en richtinggevend ecclesiologisch concept. Kerken zoeken in onze tijd ook weer naar een scherper eigen profiel.
De meeste gemeenschappen gaat tegenwoordig wel uit van een specifieke denominatie, maar voor de vormgeving wordt breedt geshopt.
De kerk aan het begin van de 20e eeuw heeft een grondige heroriëntatie nodig, anders is het menselijkerwijs gesproken binnen enkele generaties gedaan (Heitink). Maar een nulpunt kan ook tot verootmoediging en afhankelijkheid brengen en is zo soms het begin van een nieuwe weg.
In de Church of England heeft men de centrale plaats van de territoriale kerken losgelaten en krijgen netwerk-kerken een volwaardige plaats.
Zijn zien 5 kenmerken van nieuwe manieren van kerk-zijn:
1. belang van kleine groepen voor discipelschap en missie via netwerken
2. de zondag heeft geen monopolie bij ontmoeting en viering
3. concentratie op specifiek netwerk of doelgroep
4. geen verbondenheid met 1 denominatie
5. mentale of inhoudelijke nabijheid is belangrijker dan territoriale of denominationale nabijheid.
Kirche der Freiheid zoekt naar nieuwe gemeentevormen in een steeds ingewikkelder en gevarieerder samenleving. Ook daar een streven naar meer profiel- en netwerk georiënteerde gemeenschappen. Zelfs digitale geloofsgemeenschappen.
Zou in Nederland gemeentestichting ook geen goede manier zijn om te werken aan vernieuwing van de kerk als geheel om culturele verstarring te voorkomen.
Kerkplantingen: 1. brengen nieuwe ideeën; 2. dagen uit tot zelfonderzoek; 3. nieuw leiderschap krijgt meer kans; 4. kunnen bron zijn van nieuwe christenen, die ook weer door kunnen schuiven naar oudere gemeenten.
De belangrijkste voorwaarde voor zo’n leerproces is vertrouwen in en openheid naar elkaar.
Vloeibare of nieuwe vormen van gemeenschap hoeven niet alleen een aanvulling op bestaande kerken te zijn, maar kunnen ook nieuwe gestalten van kerk zijn.
Gemeenschapsvorming is een onderdeel van het antwoord dat mensen geven op het evangelie. De invulling daarvan is afhankelijk van de cultuur van de mensen die haar vormen. Er is niet 1 model van christelijke gemeenschap. Bij gemeentestichting gaat het niet op klonen maar om bouwen. Het gaat om een zendingshouding: begrijpen van de context en kritisch zijn naar eigen achtergrond gaat voorop.
Wanneer is een groep een kerk?
- een gemeenschap waar Christus aanwezig is door zijn Geest (Mt. 18,20)
- apostolicum: eenheid, heiligheid, apostoliciteit en katholiciteit => zijn aansporing tot voortdurende vernieuwing van de kerk.
De kerk moet zichzelf steeds opnieuw ontdekken in nieuwe contexten.
Verschillende denominaties leggen zo verschillende accenten, er komt steeds meer het besef dat ze daarin elkaar aanvullen.
Er ontstaat een steeds sterker besef dat niet de kerk het subject is van zending, maar God (missio Dei). En dat de kerk zich in die zending moet laten inschakelen. De zending is daarom geen funktie van de kerk, maar de kerk is functie van de zending. Het gaat om Gods werken van bevrijding, emancipatie en gerechtigheid. Daarin meewerken is het bestaansrecht van de kerk.
Maar de les van de laatste decennia is dat dit niet kan zonder vitale christelijke gemeenschappen (Newbigin). De vorming van gelovige gemeenschappen met een radicaal evangelische levensstijl is Gods voornaamste instrument om zijn schepping te verlossen. Zending is ook een uitnodiging om deelgenoot te worden van het Koninkrijk van God in de gestalte van de kerk. De kerk heeft niet alleen de taak te wijzen op onrecht, maar ook op ongeloof.
Het gaat om een ‘missional church’, een kerk die niet aan zending doet, maar die in haar wezen en structuren bepaald is door zending in dienst van God.
Hierbij moet men er wel voor open blijven staan dat men in de wereld die men aanspreekt met God te maken heeft. De wereld staat niet los van God. Juist in de communicatie met de ‘buitenstaander’ ontdekt de kerk meer van zichzelf. Samen met ‘de ander’ ontdekt de kerk wat het evangelie is in de specifieke context waarin kerk en wereld met elkaar in interactie staan.
Zending houdt primair een uitnodiging in om het eigen levensverhaal in te lezen in het grote Verhaal van de Bijbel. Zending kan dan ook alleen gebeuren door gemeenschappen en mensen die het verhaal niet slechts vertellen, maar dit ook uitleven en voorleven. De gemeente en de Bijbel worden hier op elkaar betrokken als toneelgroep en script, waarbij interactie met de zaal nodig is voor een goede uitvoering.
Moet een gemeente zich richten op de buurt of op een doelgroep?
Er is een grote mate van mobiliteit en sociale differentiatie. Door de mobiliteit is de keuzevrijheid toegenomen. (Dit geldt ook door het individualisme, waarbij de individualiteit mede bepaald wordt door de keuze van de groep waar je bij wilt horen, trouw is hierbij meestal geen bepalende waarde meer, maar authenticiteit). Tegenwoordig geldt ook een onkritisch overgenomen geloof als onecht en onbevredigend. (Dit vraagt van gemeentes dus een aanbod van programma’s van kritische eigenmaking van geloofsinzichten en –waarden.)
Identiteit wordt niet langer lokaal gevonden, maar sociaal. (Het is dus belangrijk om er in een wijk achter te komen hoe de sociale netwerken en verbanden liggen. Welke subculturen zijn er? Waar vinden vrijetijds-activiteiten plaats, in hoeverre voelt men zich wijkbewoner, etc.)
Contextualisatie vraagt om het maken van keuzes. Bij een nieuwe uiting van kerk-zijn moet men bepalen op welke dag en tijd men samenkomt, of men liederen zingt, wat voor activiteiten plaatsvinden, waar men bij elkaar komt, etc.. Een keuze voor een doelgroep heeft dan ook niet het doel om exclusief te zijn, maar het is een vorm van contextualisatie.
Vanwege de vrije keuze zullen plaatselijke gemeenten steeds meer een congregationalistisch stempel krijgen.
Daarmee hangt samen dat kerken steeds meer vanuit de marge zullen functioneren. En vanuit die positie dan invloed uitoefen op de samenleving. In onze tijd heeft een getuigende invloed vanuit de marge en vanuit een duidelijke identiteit meer kans van slagen dan een sterke speler te willen worden in de maatschappelijke markt door daar een beschavende invloed te willen uitoefenen.
Leiderschap
Kerkplantingen laten een verschuiving zien van pastoraal leiderschap naar missionair leiderschap gericht op de dienst aan het Koninkrijk van god in een postchristelijke cultuur. De taak van een missionair voorganger is leidinggeven aan de hele gemeente in haar roeping deel te nemen aan Gods zending.
Oecumene bij kerkplanting???
Het leidt vaak tot topzware overlegorganen en kleurloze compromissen. Er is ook geen gedeeld en richtinggevend ecclesiologisch concept. Kerken zoeken in onze tijd ook weer naar een scherper eigen profiel.
De meeste gemeenschappen gaat tegenwoordig wel uit van een specifieke denominatie, maar voor de vormgeving wordt breedt geshopt.
donderdag 7 mei 2009
hfdt. 18 kerkplanting in context
hfdst. 18 kerkplanting in context
De variatie aan kerkvormen zal groter zijn, naarmate meer verschillende culturen en subculturen worden bereikt. In elke nieuwe context moet de kerk opnieuw worden uitgevonden.
Een boeiend voorbeeld van een gemeente in Australie, die 9 maanden haar deuren sloot en ieder lid vroeg zich aan te sluiten bij een locale groep, club of vereniging. De enige kerkelijke activiteit was een bijeenkomst op woensdag gedurende de eerste zes maanden om de bijbelse, sociologische en psychologische achtergronden van de kerk te onderzoeken in het licht van wat men ontdekte over de wijk. De volgende drie maanden werden besteed aan het uitwerken van een nieuwe manier van gemeente-zijn. (In een PKN-gemeente kan je dit moeilijk als hele gemeente doen, maar je kan wel met een groep hiervoor kiezen binnen het beleid van de gehele gemeente.)
Vragen die gesteld kunnen worden zijn:
waaraan is in de wijk behoefte, wat zijn de knelpunten? Leren kijken naar de wijk met de ogen van bewoners.
Ook interviews met personen die niet naar de kerk gaan zijn wezenlijk.
Een therapeutische insteek kan ook in sommige contexten goed werken (zie voor cursus blz. 241). Het gaat dan om de therapeutische voordelen van een gezonde relatie met God en deel uitmaken van zijn gezin.
Invloeden vanuit de macro-context
- de zondag wordt steeds vaker voor sport, recreatie, ontspanning, verjaardagspartijtjes gebruikt.
Mission-Shaped Church noemt als trends:
- veranderende samenstelling huishoudens, toename hypotheeklasten, weekend = family-time, toegenomen mobiliteit, toename aantal singles
- gefragmenteerde levens waarin mensen zich op nieuwe wijze met elkaar verbinden, ontstaan van netwerken rond scholen, bedrijven, verenigingen.
Mensen binden zich niet meer aan een totaalpakket, maar men shopt. Netwerken vervangen de wijk misschien niet, maar veranderen haar wel. Moeten we nog streven naar mensen die zich als lid willen inschrijven, of zijn andere vormen van deelname mogelijk?
Kan deelname aan een kleine groep al gelden als een vorm van lidmaatschap?
Wie je bent wordt bepaald door waar je voor kiest. Waar je voor kiest dat wordt zo je lot.
Mensen hebben overvolle agenda’s.
Veel mensen hebben het gevoel vervangbaar te zijn. Wie heeft je nog nodig?
In Nederland blijven echter vriendenkringen en familierelaties een belangrijke rol spelen.
Maar ‘zware’ langdurige sociale verbanden zijn uit de tijd. het zijn vaker lichte verbanden. Die worden getypeerd door vrijwillige tijdelijke verbintenissen.
Mensen boeien, binden en wellicht bezielen, daar gaat het tegenwoordig bij de PR van alle organisaties om..
Moeten nieuwe gemeenten zich aan dit alles aanpassen, of juist een tegencultuur bieden? (Behoort tot het wezen van familie-relaties niet dat zij duurzaam zijn?) Zouden hier terugkerende verbondssluitingen een plaats kunnen krijgen, waarbij een actualisering van het belijden plaatsvindt? (Bijv. in de paasnacht?). Misschien is er juist wel weer een verlangen naar trouw en naar kleine overzichtelijke groepen waarin mensen je naam en je levensgeschiedenis kennen.
Mensen hebben tegenwoordig verschillende soorten van betrokkenheid, zo zal de gemeente ook verschillende soorten van participatie aan moeten bieden. Rond een kern zijn verschillende concentrische cirkels.
Belonging gaat voor believing, daarom schept men ruimte in de gemeenschap om mensen welkom te heten. Om mensen de ruimte te geven is een zekere kritische massa nodig.
Verder is de secularisatiethese al enige jaren op zijn retour. Men spreekt nu over religieuze transformatie. Het gaat om individuele zingeving, een cocktail van mogelijkheden.
Onder buitenkerkelijken neemt het geloof in God toe. Ook jongeren zijn geloviger. Mensen zijn op zoek naar een fundering van hun identiteit.
Dekker typeert dit alles negatief, spiritualiteit is een weelde artikel gericht op eigen zelfbevestiging en zelfontplooiing. Men is bezig met een zoektocht naar het zelf.
Spirituele vragen duiden op een behoefte aan levensorientatie en levenshulp. Ook bij onzekerheid in de invulling van levensrollen (opvoeder, partner, collega, vriend). Mensen zoeken hierbij hulp.
Een vereiste om zich te kunnen binden is dat een aspirantlid de nieuwe groep en haar leefwereld uitvoerig kan uitproberen ten aanzien van de aard en de omvang van de vereiste wijzigingen in opvattingen en gedrag. Van groot belang zijn de affectieve relaties tussen aspirant-lid en de groep. Bijna altijd komt iemand erbij door iemand die voor hem/haar belangrijk is. Een hechtingspersonage voor mystieke en affectieve type van bekeringen. Intellectuele en experimentele typen van bekeringen kunnen zonder.
De variatie aan kerkvormen zal groter zijn, naarmate meer verschillende culturen en subculturen worden bereikt. In elke nieuwe context moet de kerk opnieuw worden uitgevonden.
Een boeiend voorbeeld van een gemeente in Australie, die 9 maanden haar deuren sloot en ieder lid vroeg zich aan te sluiten bij een locale groep, club of vereniging. De enige kerkelijke activiteit was een bijeenkomst op woensdag gedurende de eerste zes maanden om de bijbelse, sociologische en psychologische achtergronden van de kerk te onderzoeken in het licht van wat men ontdekte over de wijk. De volgende drie maanden werden besteed aan het uitwerken van een nieuwe manier van gemeente-zijn. (In een PKN-gemeente kan je dit moeilijk als hele gemeente doen, maar je kan wel met een groep hiervoor kiezen binnen het beleid van de gehele gemeente.)
Vragen die gesteld kunnen worden zijn:
waaraan is in de wijk behoefte, wat zijn de knelpunten? Leren kijken naar de wijk met de ogen van bewoners.
Ook interviews met personen die niet naar de kerk gaan zijn wezenlijk.
Een therapeutische insteek kan ook in sommige contexten goed werken (zie voor cursus blz. 241). Het gaat dan om de therapeutische voordelen van een gezonde relatie met God en deel uitmaken van zijn gezin.
Invloeden vanuit de macro-context
- de zondag wordt steeds vaker voor sport, recreatie, ontspanning, verjaardagspartijtjes gebruikt.
Mission-Shaped Church noemt als trends:
- veranderende samenstelling huishoudens, toename hypotheeklasten, weekend = family-time, toegenomen mobiliteit, toename aantal singles
- gefragmenteerde levens waarin mensen zich op nieuwe wijze met elkaar verbinden, ontstaan van netwerken rond scholen, bedrijven, verenigingen.
Mensen binden zich niet meer aan een totaalpakket, maar men shopt. Netwerken vervangen de wijk misschien niet, maar veranderen haar wel. Moeten we nog streven naar mensen die zich als lid willen inschrijven, of zijn andere vormen van deelname mogelijk?
Kan deelname aan een kleine groep al gelden als een vorm van lidmaatschap?
Wie je bent wordt bepaald door waar je voor kiest. Waar je voor kiest dat wordt zo je lot.
Mensen hebben overvolle agenda’s.
Veel mensen hebben het gevoel vervangbaar te zijn. Wie heeft je nog nodig?
In Nederland blijven echter vriendenkringen en familierelaties een belangrijke rol spelen.
Maar ‘zware’ langdurige sociale verbanden zijn uit de tijd. het zijn vaker lichte verbanden. Die worden getypeerd door vrijwillige tijdelijke verbintenissen.
Mensen boeien, binden en wellicht bezielen, daar gaat het tegenwoordig bij de PR van alle organisaties om..
Moeten nieuwe gemeenten zich aan dit alles aanpassen, of juist een tegencultuur bieden? (Behoort tot het wezen van familie-relaties niet dat zij duurzaam zijn?) Zouden hier terugkerende verbondssluitingen een plaats kunnen krijgen, waarbij een actualisering van het belijden plaatsvindt? (Bijv. in de paasnacht?). Misschien is er juist wel weer een verlangen naar trouw en naar kleine overzichtelijke groepen waarin mensen je naam en je levensgeschiedenis kennen.
Mensen hebben tegenwoordig verschillende soorten van betrokkenheid, zo zal de gemeente ook verschillende soorten van participatie aan moeten bieden. Rond een kern zijn verschillende concentrische cirkels.
Belonging gaat voor believing, daarom schept men ruimte in de gemeenschap om mensen welkom te heten. Om mensen de ruimte te geven is een zekere kritische massa nodig.
Verder is de secularisatiethese al enige jaren op zijn retour. Men spreekt nu over religieuze transformatie. Het gaat om individuele zingeving, een cocktail van mogelijkheden.
Onder buitenkerkelijken neemt het geloof in God toe. Ook jongeren zijn geloviger. Mensen zijn op zoek naar een fundering van hun identiteit.
Dekker typeert dit alles negatief, spiritualiteit is een weelde artikel gericht op eigen zelfbevestiging en zelfontplooiing. Men is bezig met een zoektocht naar het zelf.
Spirituele vragen duiden op een behoefte aan levensorientatie en levenshulp. Ook bij onzekerheid in de invulling van levensrollen (opvoeder, partner, collega, vriend). Mensen zoeken hierbij hulp.
Een vereiste om zich te kunnen binden is dat een aspirantlid de nieuwe groep en haar leefwereld uitvoerig kan uitproberen ten aanzien van de aard en de omvang van de vereiste wijzigingen in opvattingen en gedrag. Van groot belang zijn de affectieve relaties tussen aspirant-lid en de groep. Bijna altijd komt iemand erbij door iemand die voor hem/haar belangrijk is. Een hechtingspersonage voor mystieke en affectieve type van bekeringen. Intellectuele en experimentele typen van bekeringen kunnen zonder.
hfdst.17 Waarom eigenlijk- motieven voor gemeentevorming
hfdst. 17 waarom eigenlijk – motieven voor gemeentestichting.
Iedere ecclesiologie wordt fundamenteel bepaald door de soteriologie.
Vroom beschrijft 5 wezenlijke ervaringen ofwel existentialen waar mensen in hun bestaan niet omheen kunnen.
1. ervaring van de eindigheid: de zin van het leven, verbondenheid met/scheiding van God
2. ervaring van het falen: schade/schande, schuld/schaamte; tekort schieten.
3. ervaring van het goede: gemeenschapsvorming tegen eenzaamheid; besef van zin/discipelschap; of juist aanspreken op kracht; schoonheid; liefde; vrede
4. ervaring van inzicht in de werkelijkheid:
5. ervaring van het kwaad en het lijden: om het op te heffen, te verminderen, uit te houden.
Bij gemeentestichting zijn vooral 1 en 3 belangrijke motieven. Gemeentestichting heeft een bonding en een bridging aspect. Het is belangrijk om eerste met bonding bezig te zijn, voordat je met bridging bezig kan gaan. Eerst helder hebben wat ons met elkaar verbindt, voordat je bruggen kan slaan.
Wanneer het in de kerk om heil en heelheid gaat, kan dat niet zonder de naam van Jezus Christus te noemen. Hij is de ultieme belichaming van het door God gewilde goede leven.
Belangrijk is om na te denken over wat het specifiek eigene en/of unieke is van de christelijke reactie op bovenstaande ervaringen. Wat is het goede, mooie, belangrijke, waardevolle, ware van het Evangelie?
Is de stimulans om met gemeentestichting/evangelisatie bezig te zijn, sterk genoeg als er geen exclusiviteit is en geen perspectief op de eeuwigheid???? Is er dan nog genoeg noodzaak om zich ermee te verbinden, wordt het dan niet 1 van de vele activiteiten waar je aan mee kan doen???
Er zijn drie wijzen waarop hiermee omgegaan wordt.
1. Heil exclusief in Christus
Alleen in Christus vindt de mens vervulling van zijn bestaan, nu en in de eeuwigheid. In Hem ligt hun eeuwige bestemming en eeuwige geluk. Zonder Hem vaart niemand wel (Joh.3,16-18). Augustinus en Calvijn staan in deze traditie. Tot ver in de moderne periode was dit de gangbare positie van alle kerken. Meestal wordt alle nadruk op de lichte kant gelegd (hemel) en de donkere kant ‘verzwegen’ (hel). Binnen de evangelische beweging is er wel steeds minder nadruk op een exclusivistische visie.
2. Heil inclusief in Christus
In Christus heeft God de wereld met zich verzoend, ook degene die zich dat niet realiseren (Barth). Mensen hoeven zich niet te bekeren voor hun eeuwig heil, dan denk je te gering van Gods heilswerk. Het gaat erom dat de mensen weet krijgen van wat ten diepste al voor hen geldt. De kerk is er op deze wijze ten dienste van de wereld, zonder deze dienst aan de wereld is de kerk verloren! Ook buiten haar eigen muren zijn ‘ware woorden’ te horen die de kerk als tekenen van het Rijk kunnen corrigeren. Bonhoeffer: ‘De kerk is alleen kerk als zij er is voor anderen’ (zo ook Hoekendijk). Shalom wordt nu het centrale thema in de missiologie. Heitink zit ook in deze lijn. Evangelisatie is voor hem om mensen de mogelijkheid te bieden om via de kerkelijke gemeente met het Evangelie in aanraking te komen. De gemeente als herberg is een kerk die niet probeert mensen binnen te houden – te bekeren- maar hen van al het nodige wil voorzien zodat zij hun eigen weg gesterkt kunnen vervolgen.
Ook de presentie-gedachte, belangeloze aanwezigheid, heeft hier een plaats. Verkondiging is reactief en dialogisch.
De keuze voor Christus heeft te maken met de kwaliteit van leven, niet met de eeuwigheid. De grote uitdaging is om dit dan meer te specificeren.
3. Heil als immanente bevrijding
Het gaat hier om ‘empowement, bevrijding, emancipatie’. Kerk is partner van alle mensen van goede wil. Haar eigenheid heeft te maken met haar concentratie op Christus en het Evangelie, maar daarmee is zij feitelijk niet anders of beter dan de andere stromingen. Het gaat om humanisering. Het gaat om het leven en het optreden van Jezus, zijn sterven is een bezegeling van zijn volgehouden oriëntatie op recht en gerechtigheid. Heeft niet met verzoening te maken. Het gaat om brede gemeenschapsvorming (De Buitenwacht, Dordrecht). Grondvraag is niet meer ‘Hoe krijg ik een genadig God?’, maar hoe kunnen wij (meervoud!) zin ervaren in een absurde wereld? Het gaat om de religie overstijgende zoektocht naar zin. Humaniteit is belangrijker dan christianiteit. Het gaat om het present zijn.
Zieltjes moeten zielen worden
Bij missionaire communicatie gaat het om werving (De Roest). Waarom is het nodig om mensen te werven? Wat draagt christen-zijn bij aan menswording? Wat is het specifiek eigene van het christelijk geloof aan mensenlevens en aan de samenleving?
Het eigene hangt aan de naam van Jezus Christus en zijn prediking van Gods Koningschap.
Hiermee verbonden is:
- weet hebben van het geschenk-karakter. Geraakt worden door Jezus kan niet afgedwongen worden. Het gaat om het scheppen van kaders waarbinnen dit kan gebeuren.
- christenen hebben Jezus niet in bezit. Wij kennen Hem maar zeer ten dele.
- Christus is zowel gave als opgave.
Het gaat om de relatie met een Persoon, en daarin heeft calculatie en rekenwerk geen plaats. Het gaat om menswording in relatie tot Christus. Hoe draagt Hij daaraan bij? Hoe is Hij dragende grond en bron van hoop.
Uiteindelijk gaat het er in welke benadering dan ook erom dat Christus tot mensen en mensen tot Christus kunnen komen. Ook bij representatie gaat het er uiteindelijk om dat we plaats maken voor de Ander.
Iedere ecclesiologie wordt fundamenteel bepaald door de soteriologie.
Vroom beschrijft 5 wezenlijke ervaringen ofwel existentialen waar mensen in hun bestaan niet omheen kunnen.
1. ervaring van de eindigheid: de zin van het leven, verbondenheid met/scheiding van God
2. ervaring van het falen: schade/schande, schuld/schaamte; tekort schieten.
3. ervaring van het goede: gemeenschapsvorming tegen eenzaamheid; besef van zin/discipelschap; of juist aanspreken op kracht; schoonheid; liefde; vrede
4. ervaring van inzicht in de werkelijkheid:
5. ervaring van het kwaad en het lijden: om het op te heffen, te verminderen, uit te houden.
Bij gemeentestichting zijn vooral 1 en 3 belangrijke motieven. Gemeentestichting heeft een bonding en een bridging aspect. Het is belangrijk om eerste met bonding bezig te zijn, voordat je met bridging bezig kan gaan. Eerst helder hebben wat ons met elkaar verbindt, voordat je bruggen kan slaan.
Wanneer het in de kerk om heil en heelheid gaat, kan dat niet zonder de naam van Jezus Christus te noemen. Hij is de ultieme belichaming van het door God gewilde goede leven.
Belangrijk is om na te denken over wat het specifiek eigene en/of unieke is van de christelijke reactie op bovenstaande ervaringen. Wat is het goede, mooie, belangrijke, waardevolle, ware van het Evangelie?
Is de stimulans om met gemeentestichting/evangelisatie bezig te zijn, sterk genoeg als er geen exclusiviteit is en geen perspectief op de eeuwigheid???? Is er dan nog genoeg noodzaak om zich ermee te verbinden, wordt het dan niet 1 van de vele activiteiten waar je aan mee kan doen???
Er zijn drie wijzen waarop hiermee omgegaan wordt.
1. Heil exclusief in Christus
Alleen in Christus vindt de mens vervulling van zijn bestaan, nu en in de eeuwigheid. In Hem ligt hun eeuwige bestemming en eeuwige geluk. Zonder Hem vaart niemand wel (Joh.3,16-18). Augustinus en Calvijn staan in deze traditie. Tot ver in de moderne periode was dit de gangbare positie van alle kerken. Meestal wordt alle nadruk op de lichte kant gelegd (hemel) en de donkere kant ‘verzwegen’ (hel). Binnen de evangelische beweging is er wel steeds minder nadruk op een exclusivistische visie.
2. Heil inclusief in Christus
In Christus heeft God de wereld met zich verzoend, ook degene die zich dat niet realiseren (Barth). Mensen hoeven zich niet te bekeren voor hun eeuwig heil, dan denk je te gering van Gods heilswerk. Het gaat erom dat de mensen weet krijgen van wat ten diepste al voor hen geldt. De kerk is er op deze wijze ten dienste van de wereld, zonder deze dienst aan de wereld is de kerk verloren! Ook buiten haar eigen muren zijn ‘ware woorden’ te horen die de kerk als tekenen van het Rijk kunnen corrigeren. Bonhoeffer: ‘De kerk is alleen kerk als zij er is voor anderen’ (zo ook Hoekendijk). Shalom wordt nu het centrale thema in de missiologie. Heitink zit ook in deze lijn. Evangelisatie is voor hem om mensen de mogelijkheid te bieden om via de kerkelijke gemeente met het Evangelie in aanraking te komen. De gemeente als herberg is een kerk die niet probeert mensen binnen te houden – te bekeren- maar hen van al het nodige wil voorzien zodat zij hun eigen weg gesterkt kunnen vervolgen.
Ook de presentie-gedachte, belangeloze aanwezigheid, heeft hier een plaats. Verkondiging is reactief en dialogisch.
De keuze voor Christus heeft te maken met de kwaliteit van leven, niet met de eeuwigheid. De grote uitdaging is om dit dan meer te specificeren.
3. Heil als immanente bevrijding
Het gaat hier om ‘empowement, bevrijding, emancipatie’. Kerk is partner van alle mensen van goede wil. Haar eigenheid heeft te maken met haar concentratie op Christus en het Evangelie, maar daarmee is zij feitelijk niet anders of beter dan de andere stromingen. Het gaat om humanisering. Het gaat om het leven en het optreden van Jezus, zijn sterven is een bezegeling van zijn volgehouden oriëntatie op recht en gerechtigheid. Heeft niet met verzoening te maken. Het gaat om brede gemeenschapsvorming (De Buitenwacht, Dordrecht). Grondvraag is niet meer ‘Hoe krijg ik een genadig God?’, maar hoe kunnen wij (meervoud!) zin ervaren in een absurde wereld? Het gaat om de religie overstijgende zoektocht naar zin. Humaniteit is belangrijker dan christianiteit. Het gaat om het present zijn.
Zieltjes moeten zielen worden
Bij missionaire communicatie gaat het om werving (De Roest). Waarom is het nodig om mensen te werven? Wat draagt christen-zijn bij aan menswording? Wat is het specifiek eigene van het christelijk geloof aan mensenlevens en aan de samenleving?
Het eigene hangt aan de naam van Jezus Christus en zijn prediking van Gods Koningschap.
Hiermee verbonden is:
- weet hebben van het geschenk-karakter. Geraakt worden door Jezus kan niet afgedwongen worden. Het gaat om het scheppen van kaders waarbinnen dit kan gebeuren.
- christenen hebben Jezus niet in bezit. Wij kennen Hem maar zeer ten dele.
- Christus is zowel gave als opgave.
Het gaat om de relatie met een Persoon, en daarin heeft calculatie en rekenwerk geen plaats. Het gaat om menswording in relatie tot Christus. Hoe draagt Hij daaraan bij? Hoe is Hij dragende grond en bron van hoop.
Uiteindelijk gaat het er in welke benadering dan ook erom dat Christus tot mensen en mensen tot Christus kunnen komen. Ook bij representatie gaat het er uiteindelijk om dat we plaats maken voor de Ander.
woensdag 6 mei 2009
hfdst. 2 Gemeentevorming in de beginjaren van de christelijke beweging
hfdst. 2: Gemeentevorming in de beginjaren van de christelijke beweging: verbinding en conflict.Jezus heeft niet een boek maar een gemeenschap nagelaten (Newbigin). De gemeenschap is de geleefde interpretatie van het Evangelie. Zo kan ze zorgen voor een verbinding, persoonlijk en gemeenschappelijk, met Jezus Christus. Het bestaansrecht van de gemeente is dat ze een centrum is van missionaire communicatie.Waar lopen de gemeentestichtings projecten in de eerste eeuw tegenop? En wat kunnen we daarvan leren?Bij het conflict met de hellenistisch sprekende christenen in Jeruzalem krijgen de hellenisten eigen leiding en ook eigen zelfstandigheid. Er ontstaan huisgemeenten met verschillende talen, de apostelen trekken zich terug uit de leiding.Huisgemeenten bestonden uit 20-30 mensen. Waarschijnlijk hebben in de eerste eeuw in Jeruzalem al zo’n 15 – 25 huisgemeenten bestaan. Gemeenten waren in het algemeen niet groter dan 40 mensen (meer konden niet in een kamer).Ook Antiochie toont ons een aantal aanloop problemen bij de start van een christelijke gemeenschap. Verdreven ‘hellenisten’ richten zich in Antiochie op mensen met een gelijke cultuur. Hier wordt de groep voor het eerst ‘christenen’ genoemd. Ze zijn dus onlosmakelijk verbonden met de naam van Jezus Christus.Ze hebben een sterke gerichtheid naar buiten. De missionaire communicatie wordt gezien als Gods activiteit.Maar vanaf het allereerste begin zijn er al een aantal interne conflicten.De eerste vraag is of bekeerde niet-joden zich aan de joodse regels moeten houden (besnijdenis). Het gezag om daar een beslissing in te nemen ligt bij de moedergemeente in Jeruzalem, maar direct krijgt de Antiocheense gemeente de ruimte. De toelatingscriteria in Antiochie zijn verschillend van die in Jeruzalem. De eigen visie wordt niet aan de ander opgelegd. Van de leiding wordt hierbij een grote souplesse gevraagd.Toch blijven er onderliggende spanningen die zichtbaar worden als Petrus Antiochie bezoekt en mensen van de kring rond Jacobus langs komen. Later is er juist in Antiochie een ambtelijke structuur ontstaan, waarbij de bisschop voor de eenheid moest zorgen.Nergens vinden we een ideaalbeeld van een beginnende gemeente. In vrijwel elke n.t.-gemeente doen zich conflicten voor.De missionaire motivatie van Paulus is samen te vatten in drie motieven: een besef van dankbaarheid (Gal.2,20), een besef van verantwoordelijkheid (1 Cor. 9,16) en een besef van zorg (1 Cor.1,18). Het gaat om het dienen van de levende en ware God, de ervaring van een niet-verdiende bevrijding door Jezus Christus, maar het diepste is het besef van dankbaarheid door de overweldigende ervaring van de liefde van God door het offer van Jezus Christus.Er is een grote mate van uitwisseling tussen de gemeentes. De medewerkers, synergoi, ‘verbindingsofficieren’, hebben daarin een grote rol. Juist die utiwisseling veroorzaakt dat je als gemeente niet naar binnen gericht kan zijn. Gemeenten zijn op elkaar betrokken en met elkaar verbonden.Welke gemeenschappelijke kenmerken waren er:- een vurig verlangen naar het K.v.G. en ‘wachten op Jezus’;- een hoopvolle oriëntatie op Christus van de hele chr. gemeenschap- Gods heerschappij is in het optreden van Jezus begonnen;- een sterke gerichtheid op het winnen van mensen voor Jezus;- de doop als inwijdingsritueel;- periodiek gemeenschappelijk een avondmaaltijd;- men wist zich 1 familie;- er was duidelijkheid over wie er niet bij hoorden;- verbondenheid met de joodse bronnen.De maaltijd was het kristallisatiepunt van gemeenschap, met een diep besef van de aanwezigheid van Christus.
hfdst. 3 Gemeentestichting in en vanuit NW-Europa
hfdst. 3: Gemeentestichting in en vanuit Noorwest-Europa: vanouds aandachtsveld
Het is niet mogelijk om ‘zuivere kerken’ te vormen. De context komt altijd mee. Het gaat erom hoe gemeentestichters de context laten meewegen in de vormgeving van het missionaire werk en de opbouw van een nieuwe christelijke gemeenschap.Vaak gingen de bouw van een klooster en de daarbij aanwezige christelijke gemeenschap vooraf aan missionaire gemeentestichting! Met het breken van de kloostertraditie hebben de reformatorische kerken een belangrijk missionair instrument uit handen gegeven.Columbanus, de eerste Keltische missionaris, verrichte, volgens de overlevering, veel wonderen bij zijn missionaire werk.De kloosters die door hem gesticht werden hadden aantrekkingskracht op de adel door de bestudering van de klassieke beschaving en er werd met discipline en kennis van zaken het land bewerkt. Verder was er zielzorg, met een nadruk op een ascetische levensstijl en persoonlijke vroomheid. Christen worden had in die tijd ook te maken met het aanvaarden van een samenhangend en gecontroleerd cultureel en sociaal systeem. In die tijd was de overgang tot een andere wereldbeschouwing bij de Germanen ook geen individueel, maar een collectief besluit. Hier gingen doop, gemeentevorming en kerkbouw, vooraf aan bekering.Bij dit alles werd ook gebruik gemaakt van relikwieën en wonderverhalen.Er was dus veel aandacht voor de zichtbaarheid van het christelijk geloof.Willibrord richtte in Utrecht een kloosterschool op waar pioniers uit diverse delen van Europa een theologisch opleiding kregen. Liudger, de eerste inheemse Friese missionaris, werd hier opgeleid. Toen hij in Dokkum werkte, keerde hij ieder drie maanden terug naaar Utrecht om daar les te geven.Het geloofsonderricht bestond uit een eenvoudige uitleg van het christelijk geloof, de zes werken van barmhartigheid en de zeven hoofdzonden. In de gekerstende gebieden werd de kerkgang op zondag verplicht gesteld. Ze mochten niets ‘heidens’ meer doen. Hier ging ‘behaving’ voor ‘believing’. Oude tempels werden niet verwoest, maar werden geheiligd door besprenkeling en de godenbeelden werden verwijderd (In kerken Noorwegen zijn nog wel afbeeldingen van heidense goden opgenomen!). De offercultus werd vervangen door festivals voor heilige martelaren.Missionair werk vraagt ruimte voor vrij ondernemerschap, maar de aanpassing aan de context kan te groot zijn, daarom moet het ingebed zijn in de bredere context van de kerk. Dit geeft ook een grotere kans op continuïteit.Wel is het zo dat tegenwoordig toetreders het belangrijker vinden om deel te zijn van een beweging, dan lid van een instituut.Bij Voetius gaat believing vooraf aan belonging en behaving. Gelovigen vormen de kerk, al voordat de kerk geinstitutioneerd is.Bij de NZG is er een verschuiving zichtbaar van instituut naar levend organisme. Het accent komt te liggen op het bekeerde individu en het bijeenbrengen van individuele gelovigen in de gemeente. De gemeente was belangrijk voor persoonlijk en gemeenschappelijke geloofsontwikkeling. Bij zending gaat het niet om de verkondiging van een godsdienst, de verkondiging van een leer of het overplanten van een kerk. Het christelijk geloof was vooral geestelijk leven.Daarnaast hadden meer gereformeerde zendingsgenootschappen aandacht voor het zoeken van ambtsdragers, het opleiden van predikanten, de vorming van een kerkverband en het kerkordelijk regelen van het kerkelijk leven.Een vloeibare kerk is belangrijk voor contextuele missionaire gemeenschapsvorming, maar kan omwille van de continuïteit niet zonder solide structuren.(Bij de mixed-economy gaat het daarom om de koppeling tussen flexibliteit en ambtelijke structuur.)Tot het eind van de 19e eeuw richten zendelingen zich sterk op individuele bekering. Er moesten aan allerlei eisen voldaan worden, wilde men gedoopt worden. De gemeente moest zo zuiver mogelijk zijn. Believing en behaving gingen in deze gemeenten vooraf aan belonging. De weg naar belonging was soms te lang en daarom werd er als tussenstap een doopverklaring afgegeven. Je hoorde er al wel bij, ook al was je nog niet gedoopt. Ook was er een sacraments-scheiding, als je gedoopt was en als je je dan ook nog goed gedroeg, dan werd je toegelaten tot het avondmaal en hoorde je er echt helemaal bij.Het ‘Gij geheel anders’ sloeg soms ook op de kledingdracht en het ontvangen van nieuwe namen. Dit veroorzaakte een grote scheiding met de lokale bevolking.Later werd de keus gemaakt om te beginnen met laagdrempelige gemeentestichting en niet met bekering. Zo werd de roomse zendingsmethodiek geherwaardeerd, die lange tijd vanuit piëtistische overwegingen afgewezen was. In Midden-Celebes werden 17 jaar nadat er eerste bezoekers waren voor het eerst belangstellenden gedoopt.Na WOII verschoof het accent van de zendende kerken in Nederland van bekeringstheologie naar Koninkrijkstheologie. In 1983 heeft de Wereldraad van Kerken in een verklaring erkent dat naast Koninkrijkstheologie ook gemeentestichting een missionaire kerntaak blijft.
Het is niet mogelijk om ‘zuivere kerken’ te vormen. De context komt altijd mee. Het gaat erom hoe gemeentestichters de context laten meewegen in de vormgeving van het missionaire werk en de opbouw van een nieuwe christelijke gemeenschap.Vaak gingen de bouw van een klooster en de daarbij aanwezige christelijke gemeenschap vooraf aan missionaire gemeentestichting! Met het breken van de kloostertraditie hebben de reformatorische kerken een belangrijk missionair instrument uit handen gegeven.Columbanus, de eerste Keltische missionaris, verrichte, volgens de overlevering, veel wonderen bij zijn missionaire werk.De kloosters die door hem gesticht werden hadden aantrekkingskracht op de adel door de bestudering van de klassieke beschaving en er werd met discipline en kennis van zaken het land bewerkt. Verder was er zielzorg, met een nadruk op een ascetische levensstijl en persoonlijke vroomheid. Christen worden had in die tijd ook te maken met het aanvaarden van een samenhangend en gecontroleerd cultureel en sociaal systeem. In die tijd was de overgang tot een andere wereldbeschouwing bij de Germanen ook geen individueel, maar een collectief besluit. Hier gingen doop, gemeentevorming en kerkbouw, vooraf aan bekering.Bij dit alles werd ook gebruik gemaakt van relikwieën en wonderverhalen.Er was dus veel aandacht voor de zichtbaarheid van het christelijk geloof.Willibrord richtte in Utrecht een kloosterschool op waar pioniers uit diverse delen van Europa een theologisch opleiding kregen. Liudger, de eerste inheemse Friese missionaris, werd hier opgeleid. Toen hij in Dokkum werkte, keerde hij ieder drie maanden terug naaar Utrecht om daar les te geven.Het geloofsonderricht bestond uit een eenvoudige uitleg van het christelijk geloof, de zes werken van barmhartigheid en de zeven hoofdzonden. In de gekerstende gebieden werd de kerkgang op zondag verplicht gesteld. Ze mochten niets ‘heidens’ meer doen. Hier ging ‘behaving’ voor ‘believing’. Oude tempels werden niet verwoest, maar werden geheiligd door besprenkeling en de godenbeelden werden verwijderd (In kerken Noorwegen zijn nog wel afbeeldingen van heidense goden opgenomen!). De offercultus werd vervangen door festivals voor heilige martelaren.Missionair werk vraagt ruimte voor vrij ondernemerschap, maar de aanpassing aan de context kan te groot zijn, daarom moet het ingebed zijn in de bredere context van de kerk. Dit geeft ook een grotere kans op continuïteit.Wel is het zo dat tegenwoordig toetreders het belangrijker vinden om deel te zijn van een beweging, dan lid van een instituut.Bij Voetius gaat believing vooraf aan belonging en behaving. Gelovigen vormen de kerk, al voordat de kerk geinstitutioneerd is.Bij de NZG is er een verschuiving zichtbaar van instituut naar levend organisme. Het accent komt te liggen op het bekeerde individu en het bijeenbrengen van individuele gelovigen in de gemeente. De gemeente was belangrijk voor persoonlijk en gemeenschappelijke geloofsontwikkeling. Bij zending gaat het niet om de verkondiging van een godsdienst, de verkondiging van een leer of het overplanten van een kerk. Het christelijk geloof was vooral geestelijk leven.Daarnaast hadden meer gereformeerde zendingsgenootschappen aandacht voor het zoeken van ambtsdragers, het opleiden van predikanten, de vorming van een kerkverband en het kerkordelijk regelen van het kerkelijk leven.Een vloeibare kerk is belangrijk voor contextuele missionaire gemeenschapsvorming, maar kan omwille van de continuïteit niet zonder solide structuren.(Bij de mixed-economy gaat het daarom om de koppeling tussen flexibliteit en ambtelijke structuur.)Tot het eind van de 19e eeuw richten zendelingen zich sterk op individuele bekering. Er moesten aan allerlei eisen voldaan worden, wilde men gedoopt worden. De gemeente moest zo zuiver mogelijk zijn. Believing en behaving gingen in deze gemeenten vooraf aan belonging. De weg naar belonging was soms te lang en daarom werd er als tussenstap een doopverklaring afgegeven. Je hoorde er al wel bij, ook al was je nog niet gedoopt. Ook was er een sacraments-scheiding, als je gedoopt was en als je je dan ook nog goed gedroeg, dan werd je toegelaten tot het avondmaal en hoorde je er echt helemaal bij.Het ‘Gij geheel anders’ sloeg soms ook op de kledingdracht en het ontvangen van nieuwe namen. Dit veroorzaakte een grote scheiding met de lokale bevolking.Later werd de keus gemaakt om te beginnen met laagdrempelige gemeentestichting en niet met bekering. Zo werd de roomse zendingsmethodiek geherwaardeerd, die lange tijd vanuit piëtistische overwegingen afgewezen was. In Midden-Celebes werden 17 jaar nadat er eerste bezoekers waren voor het eerst belangstellenden gedoopt.Na WOII verschoof het accent van de zendende kerken in Nederland van bekeringstheologie naar Koninkrijkstheologie. In 1983 heeft de Wereldraad van Kerken in een verklaring erkent dat naast Koninkrijkstheologie ook gemeentestichting een missionaire kerntaak blijft.
hfdst. 6-16 lessen uit gemeentevorming
Als een kerk opnieuw begint,
hfdst. 6-16 lessen uit de praktijk
hfdst 7 In de Praktijk
1. blijven investeren in langdurige relaties
In een achterstandswijk gaat het niet om professionele activiteiten, maar om relaties. Mensen komen naar activiteiten vanuit relaties. Het tot geloof komen van iemand duurt 2-5 jaar. Het duurt zo’n 10-20 jr om een gemeenschap tot zelfstandigheid te brengen.
2. opleiding van werkers
Via stagiaires kwamen er nieuwe werkers binnen, maar doel blijft om Spoorwijkers erbij te betrekken. Vraagt om activiteiten die eenvoudig te vermenigvuldigen zijn.
3. missionair betrokken blijven
Wanneer er een kleine geloofsgemeenschap ontstaat, is het heel makkelijk om daar alle tijd in te gaan steken (pastoraat, organisatie, administratie). Er moet bewust gekozen worden om missionair betrokken te blijven in de wijk.
hfdst. 8 Via Nova
1. wees geen concurenten van andere kerken. Probeer zo veel mogelijk samen te werken in het stichtien van nieuwe gemeenten of missionaire projecten.
2. beginnen met netwerken kan beter zijn dan beginnen met samenkomsten. Denk ook aan andere startmogelijkheden, zoals debat-avonden.
3. Weet op welke doelgroep je je richt, maak er een profiel van en probeer inhoudelijk en qua vormgeving zo dicht mogelijk bij deze groep aan te sluiten.
hfst. 9 Int. Chr. Fellowship in Rotterdam
Sturctuur: op microniveau: de huiskring; op mesoniveau: de ethnissche groep, oop seminars voor discipelschap, praiseavonden en recreatieactiviteiten; op macroniveau: zondagse samenkomsten.
Verder zijn er vijf taakvelden en ieder taakveld wordt geleid door een kerkenraadslid. De taakvelden zijn gekoppeld aan de vijf doelen van de gemeente:
worship/groei in passie voor God-> erediensten;
fellowship/groei in onderlinge liefde -> huiskringen en etnische groepen (pastoraat);
evangelism/groei in aantrekkingskracht
discipleship/groei in geloof en toewijding
caring/groei in dienstbaarheid
Belangrijke lessen:
1. warmte, door gastvrije ontvangst, gezellige sfeer en het niet-formele karakter van de dienst (met dank aan de Multi-culturele inbreng)
2. discipelschap, naast evangelisatie is goed onderwijs aan jonge gelovigen essentieel, het gaat om radicale toewijding aan Christus
3. nederigheid, ondanks alle goede intenties maak je fouten en ontstaan er kleerscheuren. Je ontdekt je eigen superioriteitsgevoel als westerling
hfdst. 10 De Tronk
Geen heldere identiteit, geen duidelijkheid over wie inhoudelijk verantwoordelijk was, gebrek aan continuïteit bij de medewerkers. Openheid en ruimte zijn als sleutelwoorden dus niet voldoende om iets van de grond te krijgen.
hdfst. 11 Rijnwaarde
Start met koffieochtend voor leden en Bijbelclubs voor kinderen. Daarna een Appha-cursus.
Lessen:
Het gaat om relaties. Niet alleen maar statistieken en andere demografische gegevens, maar juist netwerken, mensen ontmoeten. Verder worden mensen opgezocht waar ze leven en werken.
hfdst. 12 Thugz Church
De visie van het team is om te investeren in kwaliteit van de groep, boven getalsmatige groei.
De visie is outside-in, van buiten naar binnen denken (Pete Ward, Vloeibare kerk). Outside-in betekent dat iemand helemaal integreert in een bepaalde buurt, cultuur of scene, daar jarenlang mee optrekt, vertrouwen wint, zijn liefde voor Christus meedeelt, met als uiteindelijke doel: zijn nieuwe vrienden meenemen naar een kerk of een kerk stichten.
hfdst.14 Kerk van de Nazarener in Breda
Lessen:
zorg voor een stevige startgroep, zowel in omvang (min. 8), als in ervaring en geestelijke volwassenheid.
zorg voor een goede verbondenheid met de moedergemeente;
werk vanaf het begin met een goede contextualisatie, de cultuur van de omgeving.
hfdst. 16 Oase in Soest
Vanuit het attractiemodel naar het incarnatiemodel. Een theologische verdieping vervreemd hen van de evangelicale en gereformeerde wereld.
Dogma’s werken niet, het gaat erom dat mensen Jezus ontdekken in levensstijl, vriendschap, relaties en in Bijbelverhalen. Toegespitst op hun eigen leven. Ieder is medereiziger, nooit object.
Robert Bell is een van hun inspiratiebronnen. Mensen worden volgens hem niet zozeer overtuigd door redeneringen, maar door ervaringen. Christenen moeten iets van de hemel op aarde laten zien.
Rondom de boodschap van het nieuwe en radicale van Jezus verzameld zich een nieuwe gemeenschap. De onderlinge verscheidenheid binnen de gemeenschap is een voorwaarde voor haar vitaliteit.
Men staat open voor een nieuwe vorm van monastiek, waarvan ‘gastvrijheid, delen, saamhorigheid en contemplatief leven’ de kenmerken zijn.
Oase vormt ‘licht gemeenschappen’, d.w.z. verbanden die voor een bepaalde tijd voorzien in vragen van mensen en inspiratie biedt.
Lessen:
Mijn indruk is dat de lat erg hoog gelegd wordt voor deelnemers, waardoor participatie moeilijk wordt. Behaving lijkt hier vooraf te gaan aan belonging. Waar believing geplaats moet worden weet ik niet.
Christelijke gemeeschapsvorming door evangeliecommunicatie, blijkt samen te hangen met een onderscheidende levensstijl, met zorg voor het milieu, maar ook voor de buurt, de eigen woon- en leefomgeving.
hfdst. 6-16 lessen uit de praktijk
hfdst 7 In de Praktijk
1. blijven investeren in langdurige relaties
In een achterstandswijk gaat het niet om professionele activiteiten, maar om relaties. Mensen komen naar activiteiten vanuit relaties. Het tot geloof komen van iemand duurt 2-5 jaar. Het duurt zo’n 10-20 jr om een gemeenschap tot zelfstandigheid te brengen.
2. opleiding van werkers
Via stagiaires kwamen er nieuwe werkers binnen, maar doel blijft om Spoorwijkers erbij te betrekken. Vraagt om activiteiten die eenvoudig te vermenigvuldigen zijn.
3. missionair betrokken blijven
Wanneer er een kleine geloofsgemeenschap ontstaat, is het heel makkelijk om daar alle tijd in te gaan steken (pastoraat, organisatie, administratie). Er moet bewust gekozen worden om missionair betrokken te blijven in de wijk.
hfdst. 8 Via Nova
1. wees geen concurenten van andere kerken. Probeer zo veel mogelijk samen te werken in het stichtien van nieuwe gemeenten of missionaire projecten.
2. beginnen met netwerken kan beter zijn dan beginnen met samenkomsten. Denk ook aan andere startmogelijkheden, zoals debat-avonden.
3. Weet op welke doelgroep je je richt, maak er een profiel van en probeer inhoudelijk en qua vormgeving zo dicht mogelijk bij deze groep aan te sluiten.
hfst. 9 Int. Chr. Fellowship in Rotterdam
Sturctuur: op microniveau: de huiskring; op mesoniveau: de ethnissche groep, oop seminars voor discipelschap, praiseavonden en recreatieactiviteiten; op macroniveau: zondagse samenkomsten.
Verder zijn er vijf taakvelden en ieder taakveld wordt geleid door een kerkenraadslid. De taakvelden zijn gekoppeld aan de vijf doelen van de gemeente:
worship/groei in passie voor God-> erediensten;
fellowship/groei in onderlinge liefde -> huiskringen en etnische groepen (pastoraat);
evangelism/groei in aantrekkingskracht
discipleship/groei in geloof en toewijding
caring/groei in dienstbaarheid
Belangrijke lessen:
1. warmte, door gastvrije ontvangst, gezellige sfeer en het niet-formele karakter van de dienst (met dank aan de Multi-culturele inbreng)
2. discipelschap, naast evangelisatie is goed onderwijs aan jonge gelovigen essentieel, het gaat om radicale toewijding aan Christus
3. nederigheid, ondanks alle goede intenties maak je fouten en ontstaan er kleerscheuren. Je ontdekt je eigen superioriteitsgevoel als westerling
hfdst. 10 De Tronk
Geen heldere identiteit, geen duidelijkheid over wie inhoudelijk verantwoordelijk was, gebrek aan continuïteit bij de medewerkers. Openheid en ruimte zijn als sleutelwoorden dus niet voldoende om iets van de grond te krijgen.
hdfst. 11 Rijnwaarde
Start met koffieochtend voor leden en Bijbelclubs voor kinderen. Daarna een Appha-cursus.
Lessen:
Het gaat om relaties. Niet alleen maar statistieken en andere demografische gegevens, maar juist netwerken, mensen ontmoeten. Verder worden mensen opgezocht waar ze leven en werken.
hfdst. 12 Thugz Church
De visie van het team is om te investeren in kwaliteit van de groep, boven getalsmatige groei.
De visie is outside-in, van buiten naar binnen denken (Pete Ward, Vloeibare kerk). Outside-in betekent dat iemand helemaal integreert in een bepaalde buurt, cultuur of scene, daar jarenlang mee optrekt, vertrouwen wint, zijn liefde voor Christus meedeelt, met als uiteindelijke doel: zijn nieuwe vrienden meenemen naar een kerk of een kerk stichten.
hfdst.14 Kerk van de Nazarener in Breda
Lessen:
zorg voor een stevige startgroep, zowel in omvang (min. 8), als in ervaring en geestelijke volwassenheid.
zorg voor een goede verbondenheid met de moedergemeente;
werk vanaf het begin met een goede contextualisatie, de cultuur van de omgeving.
hfdst. 16 Oase in Soest
Vanuit het attractiemodel naar het incarnatiemodel. Een theologische verdieping vervreemd hen van de evangelicale en gereformeerde wereld.
Dogma’s werken niet, het gaat erom dat mensen Jezus ontdekken in levensstijl, vriendschap, relaties en in Bijbelverhalen. Toegespitst op hun eigen leven. Ieder is medereiziger, nooit object.
Robert Bell is een van hun inspiratiebronnen. Mensen worden volgens hem niet zozeer overtuigd door redeneringen, maar door ervaringen. Christenen moeten iets van de hemel op aarde laten zien.
Rondom de boodschap van het nieuwe en radicale van Jezus verzameld zich een nieuwe gemeenschap. De onderlinge verscheidenheid binnen de gemeenschap is een voorwaarde voor haar vitaliteit.
Men staat open voor een nieuwe vorm van monastiek, waarvan ‘gastvrijheid, delen, saamhorigheid en contemplatief leven’ de kenmerken zijn.
Oase vormt ‘licht gemeenschappen’, d.w.z. verbanden die voor een bepaalde tijd voorzien in vragen van mensen en inspiratie biedt.
Lessen:
Mijn indruk is dat de lat erg hoog gelegd wordt voor deelnemers, waardoor participatie moeilijk wordt. Behaving lijkt hier vooraf te gaan aan belonging. Waar believing geplaats moet worden weet ik niet.
Christelijke gemeeschapsvorming door evangeliecommunicatie, blijkt samen te hangen met een onderscheidende levensstijl, met zorg voor het milieu, maar ook voor de buurt, de eigen woon- en leefomgeving.
hfdst. 4 e.v.: Vasthouden en loslaten
Als een kerk opnieuw begint,
hfdst. 4 e.v.: Vasthouden en loslaten
Nieuwe kerken moeten hun eigen weg kunnen gaan. Een oud adagium daarin is:
self-supporting, self-governing en self-extending (komt bij Henri Venn vandaan en wordt ondersteund in het nieuwe rapport van de Church of England ‘Mission shaped church’).
Maar Kraemer ‘The Christian message in a non-christian world’ had daar zijn vragen bij.
In het NT zien we vaak dat gaven gedeeld worden. Zelfstandigheid wordt dan niet afgemeten aan financiële onafhankelijkheid, maar aan het vermogen om de ontvangen gaven vruchtbaar te maken in de sociale en oecumenische context.
Het gaat ook om geestelijke zelfstandigheid als kenmerk van een gezonde kerk. Als een kerkplanting direct al financieel zelfstandig moet zijn, dan kan de nadruk daar te zeer op komen te liggen. Het is goed om te zoeken naar ‘moneyless techniques’, bijv. de inzet van onbezoldigde krachten.
Het doel is nooit het stichten van een nieuwe kerk. Het gaat om Gods bevrijdende werk in de wereld in het licht van het komende Rijk. In die beweging van God naar de wereld ontstaan christelijke gemeenschappen die leven en bewegen om het perspectief van het komende Rijk. Kerkplanting heeft niet als einddoel een gevestigde kerk, maar het gaat om een wordende kerk, om emerging church, die haar vervulling vindt in het Koninkrijk.
hfdst. 4 e.v.: Vasthouden en loslaten
Nieuwe kerken moeten hun eigen weg kunnen gaan. Een oud adagium daarin is:
self-supporting, self-governing en self-extending (komt bij Henri Venn vandaan en wordt ondersteund in het nieuwe rapport van de Church of England ‘Mission shaped church’).
Maar Kraemer ‘The Christian message in a non-christian world’ had daar zijn vragen bij.
In het NT zien we vaak dat gaven gedeeld worden. Zelfstandigheid wordt dan niet afgemeten aan financiële onafhankelijkheid, maar aan het vermogen om de ontvangen gaven vruchtbaar te maken in de sociale en oecumenische context.
Het gaat ook om geestelijke zelfstandigheid als kenmerk van een gezonde kerk. Als een kerkplanting direct al financieel zelfstandig moet zijn, dan kan de nadruk daar te zeer op komen te liggen. Het is goed om te zoeken naar ‘moneyless techniques’, bijv. de inzet van onbezoldigde krachten.
Het doel is nooit het stichten van een nieuwe kerk. Het gaat om Gods bevrijdende werk in de wereld in het licht van het komende Rijk. In die beweging van God naar de wereld ontstaan christelijke gemeenschappen die leven en bewegen om het perspectief van het komende Rijk. Kerkplanting heeft niet als einddoel een gevestigde kerk, maar het gaat om een wordende kerk, om emerging church, die haar vervulling vindt in het Koninkrijk.
Abonneren op:
Reacties (Atom)